Het geld is bestemd voor drie Polen die een belangrijke rol hebben gespeeld bij de bevrijding van de Noordoostpolder. De polderdirectie wil de drie een ‘blijvend aandenken’ geven enin hun levensonderhoud voorzien ‘zoolang zij hier nog moeten blijven’.
Het bericht roept meer vragen op dan het beantwoordt. Wie waren deze drie Polen? Hoe kwamen ze hier verzeild en waarom moesten ze hier blijven? En de belangrijkste vraag: welke rol speelden ze bij de bevrijding?
In jaargang 1 verschijnt af en toe een kort berichtje over de drie, maar veel wijzer worden we daar niet van. Zo wordt er in het nummer van 29 juni onder meer voor één gulden een foto te koop aangeboden van ‘de drie Polen en de drie poldermarechaussees bij het machinegeweer naast het Lemster gemaal’.
De drie poldermarechaussees? Machinegeweer? In de NOP van 24 augustus wordt er schande van gesproken dat de Polen nog steeds vastzitten in Lemmer. Al hun pogingen om weg te komen, lopen stuk op de bureaucratie, terwijl ze met lede ogen moeten aanzien hoe ‘Duitsche Hitlerknechten terugkeerden naar hun eigen omgeving, hoe hooge Duitsche oomes in luxe wagens langs de straatwegen reden – op weg naar huis’.
Er is ondertussen een rapport verschenen over de ‘Poolsche kwestie’ waarin hun heldenrol wordt bevestigd, maar dat rapport is kennelijk omstreden. Wat die heldenrol was en waarom het rapport omstreden is, wordt niet vermeld; wel is het volgens de NOP zeker dat de Polen hun leven hebben gewaagd om de polder te redden.
In de editie van 12 oktober wordt de repatriëring van Polen als een internationaal probleem voorgesteld. De Polen die in Nederland verblijven zijn voorlopig nog niet aan de beurt. In afwachting daarvan gaan de drie van de Noordoostpolder – die nu bij naam worden genoemd: Lipowski, Sloma en Brillowski – aan het werk voor de wederopbouw van Nederland.
Brillowski heeft een Amsterdamse jongedame leren kennen en heeft trouwplannen. Uit de NOP van 30 november wordt duidelijk dat er van het ingezamelde geld ‘eeremedailles’ zijn gemaakt, die zonder officieel vertoon zijn uitgereikt. Het resterende bedrag is geblokkeerd, vanwege de geldsanering.
In het eerste nummer van 1946 staat te lezen dat Brillowski van plan is te Amsterdam zijn oude beroep weer op te pakken: het prachtige vak van poppendokter. Sloma heeft eindelijk bericht van zijn familie in Polen, maar van terugkeer kan nog altijd geen sprake zijn.
Op 25 januari meldt de krant dat de Polen elk vijfhonderd (gedeblokkeerde) guldens hebben ontvangen. En dan lezen we in de NOP van 29 maart een piepklein berichtje: ‘(…) de drie Polen die de Noordoostpolder hebben gered, hebben eindelijk de gelegenheid gevonden om naar hun vaderland terug te keeren’.
In de jaren daarna wordt er in bevrijdingsedities nog wel eens aandacht besteed aan de drie Poolse helden, maar daar blijft het bij. Of Brillowski’s trouwplannen zijn afgesprongen of dat hij zijn Amsterdamse heeft meegenomen, vertelt de NOP niet.
Het ligt voor de hand dat er in het Amsterdam van 1946 weinig te verdienen viel voor een poppendokter, maar dat zal in Polen niet anders zijn geweest. ‘Misschien tot weerziens?’ vraagt de NOP zich af op 29 maart 1946, maar er volgt geen nieuws meer over de drie. Op 30 mei 1946 valt voor het eerst de term ‘ijzeren gordijn’.
De antwoorden op de hierboven opgeworpen vragen zijn niet te vinden in de eerste jaargang van de NOP. Ze zijn evenmin te vinden in deze editie van de NOP.
Polen na de oorlog
De vraag waarom de Polen niet terug konden naar hun land, lijkt het makkelijkst te beantwoorden. Het naoorlogse Polen moet een ongelofelijke chaos zijn geweest met steden die half in puinlagen. Toen de Russen medio 1944 aan de rivier de Wisla stonden, brak de opstand van Warschau uit.
De Russen maakten pas op de plaats en gaven de nazi’s de tijd om af te rekenen met de opstandige stad. Er volgden massa-executies op burgers op ongekende schaal. Complete stadswijken werden stelselmatig platgebrand met vlammenwerpers en op afstand bestuurbare minitanks. Ziekenhuizen werden niet ontzien, patiënten verbrandden levend. Toen de Russen de stad alsnog bevrijdden, bestond Warschau eigenlijk niet meer.
Begin 1946 heeft Sloma eindelijk bericht van zijn familie in Polen; de andere twee nog niet. Geen wonder. Hoe leg je contact als adressen niet meer blijken te bestaan? Als straten zijn verdwenen, als wijken zijn weggevaagd, als dorpen en steden zijn verwoest? Hoe kom je erachter of je familieleden nog in leven zijn en niet behoren tot de miljoenen Poolse doden? De verwijten aan de Nederlandse bureaucratie lijken niet helemaal terecht. Of was er meer aan hand?
Inundatie
De Noordoostpolder werd bevrijd op 17 april 1945. Ruim een jaar later verschijnt in de NOP een terugblik op die historische gebeurtenis. Er wordt ingegaan op plannen die de Duitsers hadden om de Noordoostpolder onder water te zetten; plannen die het verzet wist te voorkomen. Het moedige optreden van de drie Polen in de nacht van 16 op 17 april zou daarbij van cruciale betekenis zijn geweest. Wat dat optreden inhield, wordt niet verteld.
Diezelfde dag, 17 april 1945, bliezen de Duitsers op twee plaatsen de dijk rond de Wieringermeerpolder op. De bewoners kregen de gelegenheid de polder tijdig te verlaten; een Nederlandse polder was tenslotte geen Pools ziekenhuis. Wel werd er bij de wegen waarlangs men de polder verliet, streng gecontroleerd. De dijk werd opgeblazen om strategische redenen, maar als er verzetsleden of onderduikers konden worden opgepakt, was dat mooi meegenomen.
Twee dagen eerder hadden de Canadezen en Polen de Dollard bereikt en viel Friesland vrijwel geheel in handen van de geallieerden (maar Lemmer nog niet). De Duitsers die de weg naar Duitsland afgesloten zagen, trokken zich terug naarNoord-Holland. Velen staken per boot het IJsselmeer over, anderen vluchtten via de Afsluitdijk.
De Wieringermeer werd onder water gezet om landing van parachutisten te voorkomen. De inundatie van de Noordoostpolder was strategisch van minder belang. Dat neemt niet weg dat de Duitsers het serieus hebben overwogen. Op die dag in april waren ze echter volgens sommige geschiedschrijvers al geruime tijd van dat plan afgestapt.
Als dat waar is, is het kennis achteraf. In 1945 en nog vele jaren daarna werden de drie Polen beschouwd als de helden die op het nippertje hebben voorkomen dat ook hier de dijk werd opgeblazen; onder meer door de lonten te verdonkeremanen.
Bovendien zouden ze de toegangsdijk naar de springlading onder schot hebben gehouden tot alle Duitsers uit Lemmer waren vertrokken. Enkele tientallen jaren later beginnen de eerste kritische studies te verschijnen waarin hun heldenstatus wordt betwist. Want wat is er dapper aan het beschermen van een dijk die geen enkel gevaar loopt? Volgens een dergelijke redenering ben je een held als je een kind uit een brandend huis redt, maar ben je geen held meer als achteraf blijkt dat het kind al in veiligheid was gebracht.
Vraagtekens
Er is nog één vraag uit mijn inleiding onbeantwoord gebleven: hoe kwamen de drie Polen hier verzeild? In de eerste jaargangen van de NOP vind ik geen enkele aanwijzing, maar publicaties uit de jaren tachtig zijn daar volstrekt helder over: ze zijn meegekomen met het Duitse leger; ze hebben zich vrijwillig aangesloten bij de Wehrmacht.
Als de bevrijding nabij is, lopen ze over en verzinnen ze een heldhaftig verhaal om krijgsgevangenschap te ontlopen. Het zijn geen helden, het zijn bedriegers.De beschuldigingen worden met exact hetzelfde aplomb geuit als waarmee de drie Polen eerder tot held werden verklaard.
Zijn het opportunisten geweest? Ze kwamen tenslotte uit een land dat de laatste eeuwen vaker wel dan niet bezet is geweest, een land waar opportunisme vaak een strategie was om te overleven. In het boek Nederlands Onderduikers Paradijs wordt geen spaan heel gelaten van de heldenstatus van de drie Polen.
Toch vernemen we uit ditzelfde boek dat ze de laatste oorlogsmaanden in contact stonden met het verzet. Dankzij hen was het verzet uitstekend op de hoogte van de Duitse plannen met de dijk. Het lijkt mij dat die samenwerking niet zonder gevaar is geweest. Bovendien beweert L. de Jong dat de drie onder dwang bij de Duitse bezetting van Lemmer waren ingedeeld.
En dan stuit ik, op zoek naar illustratiemateriaal bij dit artikel, op de website van P. Korver. Deze historicus gaat uitgebreid in op de ‘Poolse kwestie’. Dienstnemen bij de Wehrmacht, schrijft Korver, was voor veel Oost-Europeanen een manier om te ontkomen aan voedselgebrek, dwangarbeid, krijgsgevangenschap of concentratiekamp. Hij haalt verzetslieden uit Lemmer aan, die zeiden dat de drie Polen die op Friesesluis waren ondergebracht, ‘tot militaire dienst gedwongen’ waren en graag bereid waren om de boel te saboteren.
Korver vertelt dat de contacten van de Polen met het verzet onder meer via drie marechaussees verliepen – dezelfde drie met wie ze later op de foto gingen bij een achtergebleven machinegeweer (als het de Polen zijn die op die foto staan). Korver bevestigt mijn vermoeden dat die contacten gevaarlijk waren. Sterker nog, de Duitsers kregen er lucht van en hielden de Polen scherp in de gaten. Desondanks werden de contacten voortgezet. De bewering van de Polen dat ze de lonten hebben laten verdwijnen waarmee de explosieven in de dijk tot ontploffing zouden worden gebracht, is onwaar. Zonder dat ze dat wisten, hebben ze de verkeerde lonten laten verdwijnen…
Hierbij kan worden aangetekend dat, als het de Duitsers ernst was geweest met het opblazen van de dijk, ze dat ook wel zonder die lonten was gelukt. Hoe groot het gevaar is geweest van een onderwaterzetting van de Noordoostpolder, blijft onduidelijk. Zeker is wel dat het verzet dat risico tot op het laatst reëel achtte. Op 17 april 1945 hield men er rekening mee dat de nog maar net vertrokken Duitsers weer terug zouden keren en de dijk er alsnog aan zou gaan. Om ze voor te zijn, kieperden verzetsmensen samen met de Polen de springladingen nog diezelfde dag in het water.
Dat de Noordoostpolder is gered, is zeker niet uitsluitend de verdienste van de drie Polen geweest. Misschien was een redding niet nodig ofis hun aandeel in de redding te verwaarlozen geweest. Aan de andere kant, zouden de Duitsers zijn teruggekeerd, dan zouden de driePolen wegens desertie zonder meer zijn gefusilleerd. Zijn het dan toch helden? Om die vraag te kunnen beantwoorden, moeten we eerst weten wat een held precies is. U mag het zeggen. Zelf vonden ze in ieder geval van niet: ‘Ze huldigen ons maar, maar eigenlijk hebben we niet veel gedaan’. Dat klinkt heldhaftig noch opportunistisch.
Mogelijk zegt dit hele verhaal meer over de Nederlanders dan over de Polen. Wellicht zegt het ook iets over ons Nederlanders dat er één straat naar drie Polen is vernoemd: de Polenweg. Zo anoniem dat niemand meer weet dat hiermee de vermeende redders van de Noordoostpolder worden geëerd. Ze hoeven geen standbeeld te krijgen, maar in deze dagen waarop de bevrijding wordt herdacht, mag best eens worden stilgestaan bij het aandeel daarin van de Poolse soldaten en bij de bescheiden maar dappere rol van Lipowski, Sloma en Brillowski.
(Tekst Theo Gaasbeek)
Bronnen:
Weekblad de Noordoostpolder. Jaargang 1 en 2 (1945-47).
Dr. L. de Jong (1982).Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. Deel 10b, Het laatste jaar II, tweede helft. ‘s-Gravenhage: Staatsuitgeverij.
Jan Willem Stolk (1984).Nederlands Onderduikers Paradijs:de Noordoostpolder in bezettingstijd. Steenwijk: Uitgeverij Schalmei.
Dr. C.C. van Baalen (1986).Paradijs in oorlogstijd? Onderduikers in de Noordoostpolder 1942-1945. Zwolle: Uitgeverij Waanders.
Frank Westerman (2001, 12e druk). De graanrepubliek. Amsterdam: Uitgeverij Atlas.
Dr. Pieter Korver, Hunsaway, dyke okay! De Duitse plannen om aan het eind van de oorlog de Noordoostpolder onder water te zetten en wat daarop volgde. www.pieterkorver.nl/noordoostpolder.htm. Voor het laatst herzien en aangevuld in juni 2009